Van mij had dat lelijke "Goes Business" er niet bij gehoeven, hoewel dat precies is wat Aki Kaurismaki heeft veranderd. Hamlet is hier erfgenaam van een schimmig (noirig!) industrieel Fins concern, dat haar hoop overigens op badeendjes heeft gevestigd... Kaurismaki heeft zich ondanks de modernisering goed aan de duistere, manische sfeer van Shakespeare's tragedie gehouden, althans voor mijn gevoel, zo tekstvast ben ik in dezen niet. Het eindresultaat is niet zo enerverend als die Richard III-film in fascistisch Engeland, en logischerwijs ook niet zo grappig als Rosencrantz & Guildenstern, maar heeft verder wel gewoon de lekker droge stijl die we van de Finse Jarmusch kennen. Dus inclusief al dan niet oneigenlijk gebruik van jukeboxen en fifties-muziek. De altijd zo lieve Kati Outinen (Ophelia) en haar mannen met sigaren, snorren en matjes (Johan Derksen zou er zo bij passen) zijn er ook weer allemaal bij. De stijlvolle zwart-wit cinematografie is wél verrassend anders, en verbluffend goed, wellicht het beste in 's mans hele oeuvre. Let bijvoorbeeld op een korte scène in dutch angle, waarin de broer van Ophelia door Hamlet wordt beledigd, en depressief én woedend de gang op struikelt. Klassieke muziek buldert en dan... haalt hij een elektrisch scheer-apparaat tevoorschijn! (Zonder bloederige gevolgen.) Een van de leukste gebbetjes, al is de 'par avion'-envelop (voor een persoonlijk gebrachte liefdesbrief) ook subtiel. De twists en vergiftigingen volgen elkaar echter al snel, en in toenemend tempo op. Uiteindelijk blijft het kleinste stelletje bijrollen over. (Zo Shakespeare!) Dat is gelukkig wel het allerleukste dienstmeisje. (Met haar vriendje, een ongeïnteresseerde chauffeur.)
woensdag 31 augustus 2011
Hamlet Goes Business
Van mij had dat lelijke "Goes Business" er niet bij gehoeven, hoewel dat precies is wat Aki Kaurismaki heeft veranderd. Hamlet is hier erfgenaam van een schimmig (noirig!) industrieel Fins concern, dat haar hoop overigens op badeendjes heeft gevestigd... Kaurismaki heeft zich ondanks de modernisering goed aan de duistere, manische sfeer van Shakespeare's tragedie gehouden, althans voor mijn gevoel, zo tekstvast ben ik in dezen niet. Het eindresultaat is niet zo enerverend als die Richard III-film in fascistisch Engeland, en logischerwijs ook niet zo grappig als Rosencrantz & Guildenstern, maar heeft verder wel gewoon de lekker droge stijl die we van de Finse Jarmusch kennen. Dus inclusief al dan niet oneigenlijk gebruik van jukeboxen en fifties-muziek. De altijd zo lieve Kati Outinen (Ophelia) en haar mannen met sigaren, snorren en matjes (Johan Derksen zou er zo bij passen) zijn er ook weer allemaal bij. De stijlvolle zwart-wit cinematografie is wél verrassend anders, en verbluffend goed, wellicht het beste in 's mans hele oeuvre. Let bijvoorbeeld op een korte scène in dutch angle, waarin de broer van Ophelia door Hamlet wordt beledigd, en depressief én woedend de gang op struikelt. Klassieke muziek buldert en dan... haalt hij een elektrisch scheer-apparaat tevoorschijn! (Zonder bloederige gevolgen.) Een van de leukste gebbetjes, al is de 'par avion'-envelop (voor een persoonlijk gebrachte liefdesbrief) ook subtiel. De twists en vergiftigingen volgen elkaar echter al snel, en in toenemend tempo op. Uiteindelijk blijft het kleinste stelletje bijrollen over. (Zo Shakespeare!) Dat is gelukkig wel het allerleukste dienstmeisje. (Met haar vriendje, een ongeïnteresseerde chauffeur.)
Labels:
Aki Kaurismäki,
films uit de jaren '80
The Dark Corner
Even een klein momentje voor William Bendix, zo'n kerel die in de oude studio-tijd altijd maar schlemielige 'muscle guys' speelde. (Denk maar aan zijn geweldige rol in The Glass Key.) In huidige tijden zou een independent hem vast een keer een hoofdrol geven, maar ik denk niet dat zoiets destijds gebeurde. Alhoewel, Clifton Webb mocht dat hier wel, en hij is ook niet echt moeders mooiste, en vaak de slechterik. (In Laura bijvoorbeeld.) Webb pingpongt hier in one-liners met Lucille Ball, die in typische noir-traditie is getooid met een merkwaardige krullenkrans. (Is het een pruik?) Ze weet als secretaresse grappig maar kordaat van wanten; en is ergens toch een heel andere vrouw dan normaal in noir. Let op hoe ze na een gewaagde conversatie over Tahitiaanse rokjes 'puh-lease' zegt. Die running gag ontstaat na een bezoekje aan de penny arcade, waar men voor een nickel gewaagde filmpjes kan zien. 'Haven't they got any for women', moppert Lucille. The Dark Corner deed me in die lichtere passages aan Truffauts noir-ode Vivement Dimanche denken, al verhardt de film gaandeweg, het laatste half uur is zelfs action-packed. Clifton Webb speelt een private dick (wat anders!) die een nieuw kantoortje betrekt. De coppers komen al snel neuzen ('What are you doing? My income tax.') Niet zo vreemd, want helemaal zuiver op de graat lijkt onze man niet. En dat weten ook de grafters en shysters out of the past, waaronder een Thomas Berge-achtige gladde oplichter. Het fijne is dat de plot zowaar níet onnavolgbaar is, en toch spannend. Webb rent achter de feiten aan en heeft een fikse dosis bluf nodig om te overleven. Bendix daarentegen (waarmee de film opent) is een minder gunstig lot beschoren, zoals altijd. Zijn einde is nochtans spectaculair gefilmd.
Labels:
films uit de jaren '40,
Henry Hathaway
dinsdag 30 augustus 2011
La Nuit de Varennes
Franse historische films zijn altijd aangenaam stijlvol, denk maar aan The Duellists, Ridicule en Marie Antoinette. La Nuit de Varennes sluit letterlijk op die laatste aan, want koning en eega werden dus niet meteen onthoofd. Ze zijn er als de Gadaffis met koetsen als pantserwagens vandoor, op weg naar hulptroepen bij de Luxemburgse grens. Het mooie aan La Nuit is dat we de hoge piefen pas heel laat zien, en dan nog maar een glimpje. De film concentreert zich op de bezemwagen; de bedienden en hofdames die erachteraan rijden. (Hanna Schygulla is net Kirsten Dunst.) De façade blijft niet lang geheim, en in de magische wereld der fictie voegen de schrijvers De La Bretonne, Casanova (!) en Thomas Paine zich bij dit gezelschap. De laatste wordt overigens gespeeld door Harvey Keitel, een bekende in dit werk. Het eerste uur is een soort 'Frenchtern', gesprekken in de stagecoach, gevis naar de ware reden van deze tocht, flirterig en lichtvoetig, maar met een dreigende ondertoon. Casanova (Mastroianni) steelt de show, strooiend met tegeltjes als 'jeugd is een defect dat snel hersteld wordt.' Als de kijker een info-achterstand dreigt op te lopen last regisseur Scola heel meta blokjes info in. Zo introduceert Casanova zichzelf vanachter een bureau. In de tweede helft van de film waren meer van die blokjes welkom geweest, want alle scherpte is vereist om de geschiedenisles-verwikkelingen te kunnen volgen. Het laatste kwartier is echter weer wél geslaagd. Een melancholisch gevoel van 'het einde van een tijdperk' bevangt eenieder, zelfs deze Republikeinse kijker. De koning zal zijn kostuun nooit meer aan hoeven doen.
Labels:
Ettore Scola,
films uit de jaren '80
Skeletons
Uiterst plezierige film, echt zo'n liefdevol low-budget nerd-werkje. Niet eens zo goed geacteerd en geschoten, maar barstensvol slimme ideeën. En alle details kloppen; een personage lijkt op Freddie Mercury, en helemaal aan het einde begint de film er ook over. Een ander personage is lange tijd mutistisch en de kijker merkt dat pas op áls diegene gaat praten. Tekenend voor hoe je deze maffe maar aandoenlijke wereld wordt ingetrokken. Het verhaal heeft trekjes van Charlie Kaufman, vermengd met Inception op familie-niveau. Als de film in zwart-wit was geschoten (wat nog leuker was geweest) had je hier helemaal het gevoel de nieuwe Christopher "Following" Nolan te ontdekken. Twee mannen bezoeken families, waar ze als een soort exorcisten skeletten uit de kast halen, figuurlijk dan. (Het idee moet met het spreekwoord zijn gekomen.) En hier is dat bij Inception zo jammerlijk ontbrekende element van trippen op je eigen droomstof wél aanwezig. (De Freddie Mercury van het duo zwelgt in een gefabriceerde jeugdherinnering.) Na wat routineklusjes komt het duo bij een écht lastige 'case' en begint de boel snel in elkaar te storten. (En iedereen door elkaar te lopen, al dan niet in spirits.) Vanzelfsprekend converseert het duo in onnavolgbaar 'slang', waar ook uitgebreid over is nagedacht. 'You're going native!', wordt er gemopperd als er te vriendelijk tegen de klanten wordt gedaan. De norse baas van het duo is trouwens een gepast maffe, typisch Britse kolonel, met snor en pet. Tot slot ook nog even de soundtrack noemen, die het Transsylvanische sfeertje benadrukt met klavecimbel en Le Mystere Des Voix Bulgares-stemmen. Je voelt een Oost-Europese twist aankomen.
Labels:
films uit de jaren '10,
Nick Whitfield
Take Care of My Cat
Aangenaam maar vrij vlak Koreaans niemendalletje, met Bae Doona, dus ik ga sowieso niet klagen. (Al is ze hier wel érg bleekjes, alleen letterlijk dan hè.) Ze is onderdeel van een groepje hartsvriendinnen, dat klaar is met de middelbare school en het dan allemaal niet meer weet. Seks of vriendjes speelt in Korea bij meisjes van begin twintig kennelijk geen rol, maar aan een vervolgopleiding lijkt ook niemand zich te willen wagen. Het gevolg is een soort vroegtijdige St. Elmo's Fire-crisis. (Een film met exact dezelfde sfeer, het wintert hier ook.) De film had de kijker makkelijker moeten maken door overbodige comic relief-tweeling uit het vriendengroepje te schrappen. (Of je moet het leuk vinden dat ze de hele film synchroon bewegen.) Blijven er drie meiden over; een queen bee, die op d'r werk in de effectenhandel onderaan de ladder staat, een depressief meisje met een immigranten-achtergrond, én Bae Doona dus, een manusje van alles met een veel te groot hart, onder meer voor fabrieksarbeiders uit Myanmar. De film concentreert zich gaandeweg wijselijk op de vriendschap tussen de laatste twee, wat voor melancholische passages zorgt in de sloppen van Inchon, het Koreaanse Rotterdam. WTF-momentje, ergens klinkt een K-pop liedje dat verdraaid veel op Fireflies van Owl City lijkt. Dus toch meer invloeden dan The Postal Service. Mede-Subjectivist Olaf merkte terecht op dat in hetzelfde genre Strawberry Shortcakes een betere keuze is.
Labels:
films uit de jaren '00,
Jae-eun Jeong
maandag 29 augustus 2011
The Day of the Locust
De klassieke Hollywood-roman van West viel tegen, maar een zozo-boek levert vaak een prima film op. Dat hád hier gekund. Sfeermaker Schlesinger en veteraan-scenarist Waldo Salt hebben echter gemeend het boek van a tot z naar beeld te moeten vertalen, waardoor we naar een waar epos kijken. Zonde! Met driekwartier schrappen had dit een mooie Gatsby in Hollywood-film kunnen worden, inclusief die gouden gloed rondom mensen. Qua decadentie lijken de late thirties op de twenties. In Hollywood worden megalomane producties opgenomen en verzamelt de crew zich in de avonduurtjes rond de kinky film-projector. In deze setting introduceert West twee nogal lastig te peilen mannelijke characters. Een jonge production designer, zoals velen op zoek naar zijn 'break', én de bemiddelde, wereldvreemde accountant Homer Simpson (!), prima vertolkt door lobbes Donald Sutherland. De manier waarop de film modernistisch het perspectief verlegt van de eerste naar de tweede is uiterst elegant, met als schakel een kleine zwendelaar. Beide mannen raken verliefd op diens dochter, een kirrende kindmeisje, dat voorlopig enkel 'extra work' doet. Een schare mannen cirkelt om haar heen, terwijl een trashtalkin' dwerg én een spannend hanengevecht voor de peper zorgen. Toch blijft de film afstandelijk, al werken de passages op filmsets en premières logischerwijs beter dan in het boek, en is het einde indringend. Als een Hollywood-droom die Dostojevskiaans uit elkaar spat in waanzin.
Labels:
films uit de jaren '70,
John Schlesinger
Parque Vía
Aardige arthouse-film, en daar ziet het de eerste minuten niet naar uit. In de intiteling slaat een hand een insect dood; en de kijker denkt, gottegot, ik weet hoe dit eindigt. En hoewel de film inderdaad geen nieuwe paden betreedt, doet het wát het doet goed. (Ik was allang blij dat het geen Batalla en el Cielo-toestanden werden!) Parque Vía heeft voor arthouse namelijk wel een duidelijk neergezet hoofdpersonage, écht goed gespeeld ook. Een mannetje ('un typo raro') van middelbare leeftijd, dat al jaren in een grote villa leeft. Hij was er ooit butler of zoiets (denk aan La Nana) maar houdt nu enkel nog de tuin netjes, het huis staat al tijden te koop. De dagen vullen zich met neurotisch precies gerepeteerde handelingen, met als enige venster op de buitenwereld een prostituee die af en toe langskomt voor seks en andere boodschappen, én de knappe makelaar. ('Niet naar mijn borsten staren!') Die dames openen als het ware noodgedwongen de blik van het mannetje én de film, als de camera en hij zich naar buiten wagen. (Pijnlijk mooie momenten, o.a op een corrupt politie-bureau.) En gewaagd is het, want dan wordt het de kijker duidelijk, de villa is een gevangenis geworden. En zo is dit een minimalistische tragedie, met weliswaar het verwachte geweld, maar de daad is dubbelzinnig en het einde slim.
Labels:
Enrique Rivero,
films uit de jaren '00
Taking Off
Milos Forman emigreerde naar Amerika en dacht vermoedelijk, wat is nou een betere introductie tot de cultuur dan 'meisjes en muziek'. Hij combineert hier de twee door een Makhmalbaf-achtige auditie te houden. (Niet dat Forman nou zelf in beeld verschijnt.) In de eerste helft van Taking Off trekt een eindeloze parade van schuchtere, lieve, dikke, spacende, acrobatische, stoere jongedames voorbij, die al dan niet vals hippie-liedjes zingen. En daar kan een mens uren naar kijken. Soms krijgen ze van Forman twee seconden, soms veertig, maar altijd is er een momentje van openheid. Of je deze auditie nou de backdrop of het hart van de film moet nemen, is lastig te zeggen, in elk geval wisselt Forman de meisjes af met beelden uit een huiselijk middle-class gezinnetje, waar eerst zelfs nog een William H Macy-achtig oompje bij in lijkt te wonen. (Meteen die 'Otti Ottikoe'-vibes uit The Firemen's Ball.) Later blijkt ie gewoon op bezoek; niettemin ontstaan eenzelfde soort kolderieke toestanden met een vleugje seks. Een zwijger/hijger aan telefoon, mannetje bloedserieus: 'can you speak freely?' Het dochtertje van het gezin ís op die auditie, neemt later de benen, waarna het thuisfront een zoektocht begint (die al snel in kennelijk staat eindigt). Zelfs een zonsopgang heeft dan plots iets melancholisch trippends. Maar voordat de film echt droef wordt, en helemaal over kinderen loslaten begint te gaan, belanden de pa (net Woody Allen) en ma van het meisje op een wel heel bijzondere conferentie. 'Friends, I propose that we conduct an experiment here this evening...' Een scheve Hair-krullebos wijdt de verzamelde middenklasse in, in het wonder der marihuana. 'Do not, repeat, do not hold onto the joint!'
Labels:
films uit de jaren '70,
Milos Forman,
niet te missen
Abonneren op:
Berichten (Atom)